_Buitdrift stimulatie en de hond leren het initiatief te gaan nemen
Bij
een jonge hond moet dus eerst de buitdrift opgeroepen en versterkt worden.
Indien de geleider en pakwerker de nodige kennis van zaken hebben v.w.b. de
opbouw van het manwerk, kan met een acht weken oude hond die geschikt is voor
de africhtingsport hieraan al begonnen worden! Een ervaren geleider kan zonder
meer ook thuis buitdrift stimulerende activiteiten met zijn hond ondernemen.
Feitelijk socialiseer je dan de hond op bijtwerk, wat uiteindelijk zijn vruchten
zal gaan afwerpen.
Men
kan in een vroeg stadium ook al gebruik gaan maken van een zweep. Dit
socialiseert de jonge hond niet alleen op harde geluiden maar kan ook nuttig
zijn voor een goede driftontwikkeling. Buitdrift ontwikkeling door de geleider
uitgevoerd met zijn eigen hond kent geen enkel bezwaar, maar het mag duidelijk
zijn dat het door de geleider gaan prikkelen van zijn eigen hond in
verdedigingsdrift geen enkele logica kan bevatten.
Hiervoor
in deze uiteenzetting is al aangegeven dat buitdrift onderhevig is aan
"vermoeidheid". Daarom mag de hond niet vlak voor het manwerk al op
het veld wat rondhangen of zomaar wat met de zak/rol/mouw etc. spelen, maar
moet de pakwerker klaarstaan als de hond op het veld komt en gelijk tot actie overgaan.
Lange discussies gedurende het manwerk tussen geleider, pakwerker en
instructeur is om deze zelfde reden ook uit ten boze. De hond na het winnen wat
doelloos in zijn eentje rond laten lopen met de buit (=zak, rol, mouw etc) is
ook geen goede zaak. Als de hond na het winnen de buit heeft laten vallen of
afgegeven dient de pakwerker gelijk weer tot actie over te gaan. De hond
behoort onder spanning te blijven staan. Een directe actie na het afgeven van
de buit is tevens van belang om te voorkomen dat door het af moeten geven van
de buit de hond zijn geleider gaat zien als iemand die tevens in competitie is
voor de buit. Dit mag uiteraard niet gebeuren. De hond moet zijn geleider zien
als steun in de competitie tegen de pakwerker. Later kom ik terug op de werkwijze
van de geleider bij het lossen van de buit.
Wat
we dus willen bereiken is een speelse vechtlust bij de hond. Eventuele door de
jonge hond nu ingezette verdedigingsdrift moet nu nog worden afgeleerd, dit om
vermijdgedrag te voorkomen. Dit kan de pakwerker doen door de buit veel te
bewegen en altijd langs, of van de hond af te laten bewegen voordat de hond mag
inbijten. De theorie hierachter is: bij achtervolging en het behalen van de
buit wordt de hond nimmer voor de keus gesteld eventueel iets anders te doen
dan achtervolgen. Wordt de verdedigingsdrift ook aangesproken ontstaat voor de
hond ook de keus van verdedigen of vluchten. De buit kan aan een touw bevestigd
worden zodat de pakwerker deze langs de hond heen kan gooien, wat de stimulans
richting buit versterkt en dus reacties richting pakwerker onderdrukt. Het
laten inbijten mag pas geschieden als bij de hond de juiste driften worden
aangesproken. Wanneer de hond de lijn strak trekt geeft hij aan in buitdrift
geactiveerd te zijn (zo dadelijk hierover meer). Uit de lichaamstaal van de
hond behoort men ook te herkennen op welke wijze men driften bij de hond aan
spreekt. De bovenste twee tekeningen van de nu volgende afbeelding laten de
hond met een zelfverzekerd gedrag zien. De hond toont dus geen angst en is
gefixeerd op de buit. De onderste twee tekeningen laten de hond in
verdedigingsdrift zien, waarbij men in dit geval kan waarnemen aan de ontblote
kiezen, de oorstand en staartdracht dat de hond onzeker is. Deze hond zal de
dreiging tonen tegen de pakwerker maar zal snel in vermijdgedrag gebracht
kunnen worden. Vermijdgedrag is o.a. al te herkennen aan zeer kleine
terugtrekkende en of ontwijkende bewegingen van de hond.
Ook
de manier van blaffen geeft een indicatie in welke gemoedstoestand de hond
zich bevindt. Gaan snuffelen op de grond of desinteresse kan duiden op
aanwezigheid van vermijdgedrag. Als gedurende het bijtwerk de hond onrustig
wordt in zijn beet duidt dit aan dat men de grenzen van de belastbaarheid al
overschreden heeft.
Op
het moment van inbijten moet de buit zich van de hond af bewegen. Vergeet
nimmer, werken in buitdrift betekent dat de buit (mouw/rol) zich altijd van de
hond weg beweegt. Na het inbijten wordt de buit door de pakwerker in
"buitpositie "gehouden worden ("buitpositie" is hond en
buit achter de pakwerker, "verdedigingspositie" is buit en hond
recht voor de pakwerker gebracht). Uiteraard behoort de pakwerker geen
dreiging te geven en hierdoor mogelijk vermijdgedrag op te roepen. De pakwerker
mag nooit passief reageren op agressief gedrag van de hond (dreigen, blaffen,
uitvallen etc.), maar moet zich beïndrukt tonen door het gedrag van de hond.
Belangrijk is ook de manier van gebruik van een lijn waar de hond aan vast zit.
Als men gedurende "het gevecht" de lijn laat doorhangen is men niet
bezig de buitdrift van de hond te versterken, maar roept men zijn
verdedigingsdrift op. Buitdrift stimulatie geschiedt dus met een strakke lijn. Anders
geformuleerd: strakke lijn geeft de hond steun, bij een door hangende lijn is
de hond op zichzelf aangewezen. Dit is een belangrijk punt in de opbouw om te
onthouden!
Daar
de hond snel geleerd moet worden omhoog te komen bij het inbijten, moet de
pakwerker snel beginnen met het op buik of borst hoogte houden van de buit.
Een
punt van aandacht dat nodig kan zijn bij het werken met de hond in
“buitpositie” maar zich ook in andere situaties voor kan doen is het volgende. Als
men een hond de gelegenheid geeft gedurende het bijten, met de voorpoten
tegen/op het lichaam van de pakwerker te laten rusten wordt de spanning op de
bek/beet minder. Dit kan voor de hond de aanleiding zijn onrustig te worden
(verhappen etc) op de mouw. Door de voorpoten dus van het lichaam van de
pakwerker te houden zou dus een onrustige beet, die dan een gevolg zou moeten
zijn van te weinig spanning op de bek/beet, verbetert/voorkomen kunnen worden.
Een gewoonte of een neiging van de hond om zijn voorpoten te gebruiken tegen
het lichaam van de pakwerker kan men corrigeren door de pakwerker met zijn stok
tegen de voorpoten van de hond te laten tikken en wel zodanig dat de hond zijn
voorpoten intrekt. Daarbij kan de pakwerker een beweging maken met zijn lichaam
dat de poten nog sneller/gemakkelijker
los komen. Daarnaast kan op het zelfde moment een strakke lijn een extra
hulpmiddel zijn om nog wat meer spanning op de bek/beet te houden als daar
behoefte aan is. Bij het tikken op de voorpoten door de pakwerker moet men
uiteraard rekening houden met de belastbaarheid van de hond.
Er
zijn honden die bewust op de elleboog of de punt van de mouw inbijten. Dit kan
mogelijk twee oorzaken hebben. Of ze zoeken bewust de zachtste gedeelten op van
de mouw of het komt van een bepaalde onzekerheid.
Is
het een kwestie van gewenning aan de hardheid van de mouw dan kan me sterke
zachte gladde doorzichtige plastic opzetstukken op de punt en elleboog van de
mouw bevestigen. Deze opzetstukken dwingen de hond in het midden van de mouw te
bijten daar op de elleboog en punt geen grip is. De opzetstukken behoren sterk
te zijn zodat ze bij een verkeerde inbeet niet gelijk kapot zijn. Ze behoren
niet van zeer hard materiaal te zijn om het afbreken van tanden te voorkomen,
glad zodat de hond geen grip kan maken op deze plaatsen en doorzichtig om het
verschil met een gewone overtrek niet al te groot te maken.
Komt
het niet midden op de mouw bijten vanuit een onzekerheid dan behoort men deze
onzekerheid d.m.v. correcte training weg te nemen. De reden hiervoor is dat men bij het oplossen
van problemen de oorzaak moet aanpakken en niet de oplossing moet zoeken bij
het bewerken van de symptomen, wat hier dus het niet midden inbijten van de
mouw is. Het inzetten van opzetstukken is in dit geval echter niet verkeerd om
een gewoontegedrag te voorkomen of weg te werken maar daarnaast moet dus de
oorzaak van het probleem onder handen genomen worden.
Op
het "doodschudden" van de buit (=het vechten om de buit!) moet gelijk
ingespeeld worden. Doet men dit niet dan kan de hond hierdoor onzeker worden
wat zich kan uiten in een onrustige beet. Ook op het bijbijten naar “vol” moet
gereageerd worden. Het “doodschudden” en bijbijten is in feite een contra
gedrag van de hond, ondanks dat we nog op de buitdrift werken. Kynethologisch kan
men zeggen dat het volgende gebeurt. De buit pleegt in de ogen van de hond
verzet\is nog niet “dood” en zullen er dus door hem maatregelen genomen moeten
worden d.m.v. “doodschudden” en of bijbijten om toch buit te maken. Het nu goed
reageren op contrareacties is noodzakelijk voor een goede driftopbouw. Dit
inspelen doet de pakwerker door de hond te laten winnen of op zijn minst een
“verslagen” lichaamshouding aan te nemen.
Contra
reacties behoren nu al zomogelijk het enige motief te zijn om de hond de buit
te laten winnen. Heeft
de hond de gewoonte druk met de buit te gaan schudden nadat hij gewonnen heeft,
dan kan men een touw aan de buit bevestigen. Hiermee kan de pakwerker na het
winnen wat spanning op de buit brengen zodat de hond wat makkelijker tot rust
te brengen is. Deze rust is erg belangrijk om de consequentie er in te houden
dat een inbeet in de buit altijd vol moet zijn en vol moet blijven. De hond
moet dus ook leren na het winnen de buit vol vast te blijven houden.
Het
rustig vasthouden van de buit na het winnen geeft aan dat de hond weet zijn
rust te kunnen vinden in buitdrift. Hij geeft met deze rust aan, naar
stresssituaties weer tot rust te kunnen komen. Is
een hond niet tot rust te brengen omdat deze te hoog in drift is gebracht is er
maar één oplossing. De hond commando “AF” geven en alle driftprikkels
verwijderen. Dit is gedurende het manwerk altijd het recept wanneer de controle
verloren is gegaan of men niet meer “door” kan komen bij de hond als gevolg van
te veel aanwezige drift! Vergeet nimmer, een hond te hoog in drift is niets te
leren.
Zodra
de hond door de pakwerker hoog in buitdrift te brengen is, gaat men het
initiatief verleggen van de pakwerker naar de hond toe. Door deze
oefeningen ook uit te voeren zonder buit, kan men zonder veel risico de hond
zijn eerste lichte prikkels geven in zijn verdedigingsdrift. Wat het initiatief
verleggen ook met zich mee brengt is het feit dat de hond gestimuleerd wordt in
het aanblaffen van de pakwerker. De oefeningen kunnen er als volgt uitzien.
In
eerste instantie zonder dat er buit bij betrokken is. De pakwerker is uit zicht
als de hond op het veld komt. De pakwerker gaat in het zichtveld van de hond en
blijft stil staan. Als de hond nu reageert d.m.v. aanblaffen van de pakwerker
(=de hond hitst de pakwerker op) reageert de pakwerker d.m.v. bewegingen,
zweepslagen e.d. en gaat vervolgens weer stil staan. Reageert de hond weer dan
volgt de zelfde reactie door de pakwerker en vlucht uiteindelijk weg uit zicht
van de hond.
Daarna
kan men ook met buit gaan werken. Er volgt hierbij het zelfde ritueel als
hiervoor beschreven waarbij, maar nu reageert de pakwerker niet alleen d.m.v.
bewegingen e.d. maar laat de hond ook bijten en buitmaken.
De
hond wordt dus steeds sterker gemotiveerd om het initiatief te nemen. Je kunt
(moet) hierdoor uiteindelijk de situatie krijgen dat de hond juist actief
begint aan te blaffen als de pakwerker stil staat en stil is en klaar staat om
in te bijten als de pakwerker actie maakt. Dit zal straks ook zijn vruchten
gaan afwerpen v.w.b. de bewaking gedurende het uitwerken van het programma op
evenementen!
Nu
zal dan ook in het vervolg het initiatief ook overgelaten worden aan de hond. De
eerste voorbereidingen voor het gaan geven van stokslagen kunnen nu al uitgevoerd
worden. Dit geschiedt dan op het moment met de hond op de mouw, door de
pakwerker in "verdedigingspositie" gehouden en de lijn op
spanning, kan de pakwerker de hond over de kop aaien. Het aaien dient dan om
eventuele onzekerheden tegenover de "slaande hand" te onderdrukken
en is dus een voorbereiding op het later in de opbouw gaan geven van
stokslagen.