De richtlijn in de habitat van de hond en andere zaken waar we rekening mee moeten houden
De hond volgt snel de natuurlijke lijnen van de omgeving waarin hij speurt. In de ethologie spreekt men dan van een richtlijn in de habitat van de hond. Natuurlijke lijnen zijn o.a. afrastering, de machinale zaairichting van een weiland, de sporen van bemesting d.m.v. injecteren van gier, sloten, wegbermen, ploegvoren, wagensporen etc. Bij beginnende honden, dus ook bij onze pup, moet men er dan ook voor zorgen dat het spoor duidelijk bepaalde richtlijnen volgt. Hierdoor wordt voor de beginnende hond bijvoorbeeld het nemen van hoeken niet onnodig moeilijk gemaakt. Voor een meer ervaren hond wordt dit verhaal dus anders. Voor wat betreft deze natuurlijke lijnen, geeft het "doorbreken" van dit probleem met sporen die 90 graden op de natuurlijke lijnen staan in de regel niet zoveel problemen. Echter met sporen 45 graden op de natuurlijke lijnen kan de hond veel problemen hebben. (Zie ook: Haak,"speuren",blz 55 en Rheenen,"kennis",blz 39). Naar mate de hond meer ervaren wordt met het speuren, moet men het spoor zoveel mogelijk afwisselen. Deze afwisseling geldt zowel voor het spoorvorm (al dan niet de natuurlijke lijn volgend), als de ondergrond waarop de hond moet speuren. Wat dit laatste betreft: door op steeds hardere ondergrond over te gaan, neemt ook hierdoor het speuren gericht op bodembeschadigingen af en neemt het speuren gericht op individuele menselijke geur toe. Over het voordeel hiervan heb ik het al gehad. Het speuren met het oversteken van sloten, weggetjes en het passeren van afrastering etc, zorgt ervoor dat het speuren voor baas en hond leuk blijft. Slordig speuren hierbij tolereren echter nooit. Een goede oefening om de hond goed te kunnen controleren of hij nog elke voetstap opneemt is door in het spoor een “overstap”-patroon te leggen. D.w.z. bij het uitleggen van het spoor kruist men op een bepaald moment de voet voor de andere voet waarna men deze andere voet normaal voor de gekruiste voet zet. Is men op deze wijze een meter of twee afgeweken van de oorspronkelijke richting en ligging van het spoor, dan gaat men op dezelfde wijze weer terug naar de oorspronkelijke richting en ligging. Men heeft dus een soort golfbeweging in het spoor gekregen.
Het is goed om te weten dat een hond van de natuurlijke neiging heeft om op de randen van het spoor of net naast het spoor te gaan speuren. Dit doet hij om verzadiging van zijn neus te
voorkomen. De hond zal daarom ook regelmatig een "frisse neus halen", door zijn kop even omhoog te doen of even naast het spoor te gaan. Ook bij sterke zijwind op het spoor, zal de hond door verwaaiing van het spoor naast het spoor kunnen gaan speuren. Dit zijn echter zaken waarin we de hond bij de opbouw van het speuren niet te veel vrijheid moeten geven. We moeten er van uitgaan dat de hond op het spoor moet speuren en goed "diep" met zijn neus moet zitten. Deze vrijheid geven we de hond niet, voor "de punten" op het examen/de wedstrijd die we graag zouden halen en dus voor "het oog van de keurmeester". Echter wanneer wij bij een hond met een sterke drang van natuurlijk speuren tegen deze "drang" ingaan, kunnen hierdoor andere problemen ontstaan.
Bij warm weer speurt de hond met een hogere neus. Het is dan aan de grond veel warmer, waardoor de geur meer opstijgt. NB aan de grond is de temperatuur aanzienlijk hoger dan bijvoorbeeld één meter boven de grond.
Een hond die met zijn neus diep aan de grond een spoor volgt, is nog niet altijd een betrouwbare speurhond zoals wij dit verlangen. Of hij ook dit spoor blijft volgen indien andere sporen zijn spoor kruisen, is nog maar de vraag. Een minder ervaren hond zal gemakkelijk overgaan op het andere spoor en dit verleidingsspoor blijven volgen. De honden zijn weliswaar spoorvast, maar nog niet spoorzuiver. Honden die geen moeite hebben met verleidingssporen met een zeer gering tijdsverschil worden spoorzuiver genoemd. De hond onderscheidt heel goed het verschil in leeftijd van sporen. Een verschil van vijf minuten zou hij al waar kunnen nemen (in sommige literatuur wordt zelfs over een nog kortere tijd gesproken). Dus een verleidingsspoor dat het spoor doorkruist waarop de hond is aangezet met een tijdsverschil van 10 minuten, mag geen probleem opleveren voor een goed opgebouwde hond. N.B. dit verleidingsspoor kan ook van een konijn of haas e.d zijn!
Ligt er minder geur op het speur, dan speurt de hond intensiever. Ligt er veel geur op het spoor, dan heeft de hond de neiging slordiger te gaan speuren.
De hond is gewend om zien en ruiken in vele gevallen te combineren. Hij bezit stellig een andere waarnemingsdrempel voor die zintuigen bij hun natuurlijke samenwerking, dan bij afzonderlijke prikkeling. Het is daarom ook zeer onlogisch te veronderstellen dat speurende honden alleen hun neus gebruiken en niet met hun ogen zoeken naar bodembeschadigingen of veranderingen in het terrein. M.a.w. een hond "speurt" ook met zijn ogen! Hij ziet dus voetstappen in het zand of het langere gras. Het "speuren" met de ogen moet men proberen te voorkomen door zorgvuldig het speurterrein te selecteren.
Zodra onze jonge hond een behoorlijk spoor met wat hoeken kan uitwerken dan mag men langzaam beginnen met het een tijd wachten voor het gaan uitwerken van een uitgelopen spoor met de hond. De hond hoeft dan ook niet meer op het speurveld aanwezig te zijn op het moment dat het spoor wordt uitgelegd. Uiteraard moet men deze tijd tussen uitleggen en uitwerken van het spoor langzaam op laten lopen gedurende opeenvolgende trainingen. Hierbij moet men steeds rekening houden met de invloeden van het type ondergrond van het spoor en het weer v.w.b. waarneembaarheid van een geurspoor. Meer over de waarneembaarheid van een geurspoor zijn te vinden achter in dit hoofdstuk speuren bij de tabellen van Toman. Ook de afstand tussen hond en geleider kan men steeds wat groter gaan maken. Echter hoe groter deze afstand is, hoe minder zicht men heeft op het nemen van hoeken en het verwijzen van de voorwerpen. Ik ben dan ook geen voorstander om bij trainingen altijd op 10 meter achter de hond te lopen bij het speuren. Grotendeels van de trainingen loop ik niet meer dan circa 4 meter achter een ervaren hond. Dit geeft me mogelijkheid om “scherp” te kunnen reageren op het doen en laten van de hond.