Straf moet in tegenstelling tot de beloning, de hond van een bepaald gedrag afhouden. De wijze waarop een geleider straft, verraad zijn mentaliteit. Wie het uit ergernis doet is nog te verdedigen; hij doet het gewoon op een onbeheerst ogenblik. Diegene echter die straft omdat hij de hond wil straffen omdat deze faalde of omdat hij zich beledigd of geblameerd voelt door zijn hond, zou geen hond mogen bezitten. Het ergste zijn de mensen die met genot een hond straffen omdat het er zogenaamd er bij hoort. Ook geleiders die straffen uit angst dat hun hond sterker zal worden als zij zelf, zijn nog sympathiek nog verstandig handelend. De zo-even genoemde motieven om een hond te straffen geven geen goede indruk van de geleider, maar als we eerlijk zijn moeten we toegeven, dat soortgelijke gevoelens onze reacties naar de hond toe bepalen. Het heeft dus geen enkele zin tegen een dergelijke geleider over moraal te spreken. Willen we tenminste de hond van een dergelijke geleider helpen dan zullen we moeten uitleggen waarom dergelijke slecht te motiveren straffen geen succes zullen brengen. Men zal met straf om moeten gaan als met medicijnen (Wederom een uitspraak van Tortora). Ook een medicijn wordt niet uit erger of woede gegeven maar met als doel een onbevredigende toestand te verbeteren. En zoals een medicament het beste werkt wanneer het zo snel als mogelijk en met de juiste dosering wordt ingenomen, zo is het ook met straf. De overeenkomst gaat zelfs nog verder. Wordt het gebruiksvoorschrift niet juist opgevolgd, kan een medicijn vervelende bijwerkingen hebben. Weet men niet hoe met straf om te gaan, gebeurt precies het zelfde. Men heeft het meeste succes, wanneer men wel overwogen en vrij van enig "afreageren" straft of een “foutieve uitvoering herstelling” toepast. Om hiervoor enige richtlijnen te geven gebruiken we wederom uitspraken van Tortora.
De straf moet onmiddellijk naar het begin van het ongewenste gedrag plaats vinden, zo mogelijk al bij getoonde intentie gedrag van de hond. Echter bestaat ieder voorval uit meerdere delen. Bijvoorbeeld: Een hond neemt een aanloop, springt op de tafel, neemt vlees op, springt ven de tafel en begint het vlees op te eten. Nu gaan bestraffen heeft geen enkele zin. Het gehele gebeuren zal zich bij de volgende gelegenheid opnieuw afspelen, als we niet bij het eerste deel, bij het nemen van de aanloop dus, de hond een onaangename ervaring op laten doen.
Straf moet, wederom overeenkomstig met een medicijn, bij zijn eerste toepassing met een voldoende dosis worden toegepast. Is de eerste inwerking onvoldoende om het gewenste gedrag van de hond in het vervolg te voorkomen, dan treedt er een gewenningsproces in werking en wordt de kans om ons doel te bereiken steeds kleiner, zelfs wanneer we met sterkere doseringen gaan werken. Het tegendeel van wat we willen bereiken kan gaan optreden: een bijna niet meer te corrigeren ongewenst gewoonte gedrag. We moeten dan een nieuwe trainingsmethode gaan zoeken. Of deze dan te vinden zijn is de vraag. Het is werkelijk beter gelijk bij de eerste toediening van de straf voor het ongewenste gedrag een flinke dosering te gebruiken in plaats van te voorzichtig met de toediening van de straf te beginnen en pas bij de tiende toediening flink en hard van leer te gaan zonder nog resultaten hiermee te kunnen boeken. Een te zwakke dosering van straf is al vaak een reden geweest dat men een hond tenslotte maar liet inslapen, terwijl het niet eens handelde om echt sterke honden.
Natuurlijk moet heel hard straffen een uitzondering blijven. Ze zijn dan ook alleen te tolereren, als ze toegediend worden zonder wraakachtige gedachte, goed overwogen en als er geen andere opvoedkundige alternatieve meer voor handen zijn. Als het mogelijk is moeten we de straf altijd koppelen aan het gedrag van de hond. zo zal in het voorbeeld van de hond die bij aankomst met de auto bij de uitlaatplaats gelijk uit de auto springt een "foei" weinig indruk maken. maar de deur gedoseerd tegen de kop van de hond zal meer respect bij de hond oproepen voor de betreffende deur. Ook wanneer dan iemand anders met de hond in de auto op stap gaat zal de hond uit respect voor de deur zich gedragen.
Als het lukt, de hond een straf te laten toekomen die in de ogen van de hond uit het niets te voorschijn komt, zal deze straf beduidend beter werken dan als de straf duidelijk van ons afkomstig is. Voorbeeld: Wanneer we de hond betrappen bij het stelen van een koek, dan zal deze van een scheldpartij misschien zich terugtrekken maar daarvan niet echt onder de indruk zijn. Laten we echter, zonder dat de hond ons opmerkt, een broodplank of iets dergelijk hard op de grond vallen, dan zal de hond zich snel uit de voeten maken en zal ons verwart aankijken als we net doen niets gehoord of gezien te hebben.
Men moet er op letten dat de straf alleen maar gekoppeld wordt met het ongewenste gedrag (zoals beloning met het gewenste gedrag gekoppeld dient te worden). Hier geldt dus ook nadenken en goed plannen.
De aard van de straf moet regelmatig veranderen, zodat een oplettende hond niet en straf al ziet aankomen of er aan gaat gewennen.
Wordt een hond weloverwogen bestraft dan moet men uiteraard niet met medelijden of eigen onzekerheid de hond na het straffen gaan toespreken, al is het dan misschien op strenge toon, op een haast verontschuldigende wijze als zou men het met kinderen te doen hebben. Het zal door de hond ervaren worden als zijnde een beloning. Het is belangrijk een pauze in te lassen, terwijl we geen aandacht aan de hond besteden. We doen er echter goed aan daarna iets met de hond te ondernemen, zodat we de gelegenheid krijgen deze te belonen. We voorkomen daarmee dat de hond angst voor ons krijgt, met ander woorden dat we het contact met de hond verliezen. Dit mag nooit gebeuren! Contact is namelijk het belangrijkste component ven onze verstandhouding met de hond waarvan we niets mogen verliezen.