Er zijn veel theorieën en proeven gepubliceerd betreffende het reukvermogen van de hond. De experimenten van de Berlijnse onderzoeker en politieluitenant Konrad Most zijn heden ten dage nog steeds erg veel van belang voor onze kennis van het speuren. Most deed zijn proeven al voor de eerste wereldoorlog m.b.v. een zweeftoestel, een sporenrad en een loopwagen met druppelkannen. Uitgebreide beschrijvingen van deze proeven zijn te vinden in Haak,"speuren", blz 129 e.v. Ondanks dat Most tijdens zijn zweefproeven lang niet alle mogelijkheden heeft uitgeprobeerd, worden door de meeste mensen zijn bevindingen toch aangehouden als zijnde de meest waarschijnlijke en de beste bewezen theorie. Uit de proeven van Most, in combinatie met die van andere (bijvoorbeeld die van Dr K. Zuschneid), zijn de volgende conclusies te trekken:
Geur (= een gasvormige stof) ontstaan door bodembeschadigingen en kapot getrapte planten, veroorzaakt door de spoorlegger tijdens het leggen van het spoor, zijn de geuren waarop de hond zich hoofdzakelijk oriënteert.
De persoonlijke geur van de spoorlegger voegt weinig toe aan het totale geurencomplex dat door de spoorlegger wordt veroorzaakt. Deze persoonlijke geur zou dan ook in verhouding tot de andere geuren tamelijk snel verdwenen zijn. Ondanks dit feit zijn echter goed opgeleide honden prima in staat deze persoonlijke geur in het spoor vast te stellen. Over waarom dit zo belangrijk is zo dadelijk meer.
Verleidingssporen kunnen door de hond onderscheiden worden van het oorspronkelijke zoekspoor als de sporen verschillen in leeftijd. Zijn sporen exact even oud en moet de hond dus de sporen uit elkaar houden op de persoonlijke geur. Niet goed opgeleide honden kunnen dan dus in de problemen komen. Indien er in dergelijke gevallen gebruik is gemaakt van een goede aanzet (plaats aan het begin van het spoor met veel geur) dan zijn er betere resultaten te bereiken.
Rudolf en Rudolfina Menzel hebben in 1930 een eenvoudige formule opgesteld voor de totale geur van het spoor zoals deze door de spoorlegger wordt achtergelaten. Als we de totale geur van het spoor met S aangeven, met E de daarin aanwezige eigengeur van de spoorlegger, met P de geur van de kapot getrapte planten, met B de bodembeschadigingen en met I de geur van het impregneermiddel van de schoenen en het zoolleer, dan is:
S= K*(E + P + B+ I)
waarbij K een van weersomstandigheden, luchtvochtigheid, bodemsoort etc. afhankelijke constante betekent. Naast de meest aannemelijke “Most”-theorie zijn er nog andere wat afwijkende theorieën. Echter deze theorieën berusten op een zeer groot aantal veronderstellingen en uitgangspunten die nog onvoldoende werden onderzocht om als waarheid aan te kunnen nemen. Ze zijn dus voorlopig af te doen als onvoldoende bewezen, ofschoon het voor iedere speurliefhebber uiteraard toch goed is er van op de hoogte te zijn. Zo geldt dit ook voor de in 1972 gepubliceerde theorie van de Amerikaan William G. Syrotuck, die beschreven wordt in Haak,"speuren",blz 139.
Er zou een apparaat bestaan dat het reukvermogen van een hond zou kunnen meten. Dit apparaat zou een OLFACTOMETER heten (zie Hesteren,"psychologie",blz 12).