Een
hond is erg gemakkelijk het commando “ZIT” aan te leren. Logisch dat we dan ook
hiermee aanvangen. Uiteraard hebben de conditionering op de geleider en het
activeren van de hond er goed ingebracht.
Het
is wat we dan nu ook als eerste doen, de hond in drift brengen. We laten
hierbij het initiatief zo veel mogelijk over aan de hond. Als de hond goed in drift
is, hij jaagt dus achter onze bal aan die in de hand is of aan een touwtje,
geven we een visueel teken (een vingertje omhoog bijvoorbeeld) en, in deze fase
nog tegelijkertijd, het commando “ZIT”. Door van het commando een beetje ZZZIT
te maken kan men verwarring voorkomen met het commando “STA” (verschil tussen S
en Z is bij enkele geleiders soms moeilijk te horen en dit dan dus ook in de
oren van de hond). De hond zit aan een lange lijn en kunnen we daardoor een
beetje voor ons trekken op dat moment. Het is nu afwachten of de hond wil gaan
zitten. Desnoods herhalen we het visuele en akoestische signaal. Het is
natuurlijk moeilijk aan te geven wat de reactie van de hond zal zijn. Maar
de opzet moet dit zijn. Zodra de hond gaat zitten geeft men zeer vlug (fractie
van een seconde) een positief geconditioneerd signaal en de bal uit de hand
(dus rechtstreeks in de bek). Het uitvoeren van het commando “ZIT” brengt dus
voor de hond een driftbevrediging. Dit moet dus de motivatie worden voor de
hond om het commando snel uit te voeren. Het blijven zitten is in deze fase nog
helemaal nog niet aan te orde!! Dat komt pas veel later aan bod. Dit gaan we
bereiken door het toepassen van het in het begin van dit hoofdstuk beschreven
begrip “shaping”. Echter de hond moet wel helemaal
doorzitten voordat hij zijn balletje krijgt.
De kunst is geen, of in ieder geval zo min mogelijk, dwang
in deze fase te gebruiken. Immers dwang brengt geen activiteit bij de hond en
kan vermijdgedrag oproepen. Het is juist activiteit die we willen hebben en
vermijdgedrag voorkomen. Ik verwijs naar het boek “Nog beter omgaan met je
hond, M.Gaus, blz 132 e.v.”, voor bruikbare methode dit voor elkaar te krijgen.
Heeft
de hond de bal dan handelt men verder zoals men deed bij de activeringsoefeningen. Het
niet meer helemaal door gaan zitten na een bepaalde periode is bij deze
trainingsmethodiek het grote nadeel indien men hier niet alert op is. Dit is
dan het gevolg van een te hoog in drift zijnde hond. Het is ook een reden om de
bal in de bek van de hond te gooien en niet van de hond vandaan. Het balletje
van de hond vandaan gooien stimuleert het zeer snel van de plaats willen gaan
om achter het balletje aan te jagen. De oplossing van de nijging om niet meer
helemaal door te gaan zitten mag duidelijk zijn. Minder drift (=bal) en meer
technische dwang. Doordat er drift is zal de hond geen moeite hebben met de
technische dwang waarmee de noodzakelijke perfectie afgedwongen wordt. Deze
perfectie is noodzakelijk omdat we absoluut consequent t.o.v. de hond moeten
zijn om het respect te behouden. Wat betreft de technische dwang het volgende. Wat betreft de
technische dwang het volgende. Onervaren honden hebben de natuurlijke neiging
om bij druk op het lichaam, een tegendruk uit te oefenen. Dat houdt in bij de
methode halt houden en vervolgens op de kont van de hond drukken, men
bewerkstelligt dat de hond verstijft en men daardoor veel druk op de achterste
met uitoefenen om hem tot zitten te krijgen. Daarom behoort men bij het
toepassen van de technische dwang in eerste instantie alleen lijnhulp te
gebruiken! In een latere fase kan men eventueel ook handhulp gebruiken maar dan
alleen voor de richting van het zitten correct te krijgen. Dus niet drukken op
de kont, maar de hand aan de linkerzijde van de heup van de hond houden zodat
hij beter aan de voet komt te zitten. De hand van de geleider is dus een
“glijdende rails”. In een nog verdere fase kan men eventueel perfectie gaan
creëren door middel van negatieve bekrachtiging